Nieuwe leden van De Jonge Akademie bekend

12 december 2016

Elk jaar kiest De Jonge Akademie tien nieuwe, talentvolle onderzoekers om haar gelederen te versterken. Leden beschikken over bewezen wetenschappelijke kwaliteit en over een brede belangstelling voor wetenschapsbeoefening en wetenschapscommunicatie. Het lidmaatschap duurt vijf jaar. De officiële installatie van de nieuwe leden vindt plaats op 8 juni 2017 in Amsterdam.

De tien nieuwe leden van De Jonge Akademie zijn:

Dr. Celia Berkers (biochemie en celbiologie, Universiteit Utrecht)

In haar onderzoek maakt Celia Berkers (1980) gebruik van massaspectometrie om de stofwisseling van kankercellen en immuuncellen te bestuderen. Ze onderzoekt onder andere de werking van medicijnen die bij kanker de proteasomen (eiwitversnipperaars in de cel) afremmen. Daarnaast bekijkt Celia Berkers hoe het immuunsysteem gestuurd kan worden door in te grijpen in de stofwisseling van specifieke immuuncellen. Verder organiseert ze debatten en symposia en maakt ze zich sterk voor de belangen van jonge onderzoekers. Ook wil ze lagere en middelbare scholen bezoeken om met kinderen te praten over onderwerpen en vragen in de wetenschap.

Dr. Quentin Bourgeois (archeologie, Universiteit Leiden)

Het onderzoek van Quentin Bourgeois (1982) is gericht op de Corded Ware-cultuurgroepen. Vijfduizend jaar geleden maakten ze kilometerslange rijen van grafheuvels, van de Wolga tot de Rijn. Ze tonen de banden tussen mensen van de steppe tot de Veluwe, die niet alleen genetisch sterk verwant zijn maar ook een gezamenlijke identiteit deelden. Bourgeois onderzoekt deze samenhang. Hij ziet daarin een gezamenlijke oorsprong van culturen en identiteiten nu. Hij werkt samen met het Rijksmuseum van Oudheden en de gemeente Epe aan nieuwe presentatiemethodes, met augmented en virtual reality, om de resultaten van dit onderzoek te presenteren.

Prof. dr. Lude Franke (genetica en bio-informatica, Universitair Medisch Centrum Groningen)

Lude Franke (1980) onderzoekt genetische ziektes door met statistiek, biologie en informatica te speuren naar patronen en afwijkingen in het DNA. Hij pleit voor open access  en open data in combinatie met de bescherming van individuen.  Franke presenteert ingewikkelde gegevens en grote hoeveelheden data graag toegankelijk voor een groter publiek: hij is naast onderzoeker ook grafisch ontwerper.

Dr. Arjan Houtepen (fysische chemie, vaste-stofchemie, nanomaterialen, Technische Universiteit Delft)

Met behulp van nanotechnologie onderzoekt Arjan Houtepen (1979) hoe er zuinigere lampen en beeldschermen en betere zonnecellen gemaakt kunnen worden. Hij onderzoekt zogeheten colloïdale nanomaterialen die andere eigenschappen krijgen als de vorm van de moleculen wordt veranderd. Hij ontwikkelt graag producten die gebruikt kunnen gaan worden, maar maakt zich ook sterk voor fundamenteel onderzoek.

Dr. Merel Keijzer (toegepaste taalwetenschap, Engelse taalkunde, Rijksuniversiteit Groningen)

Merel Keijzer (1980) is gespecialiseerd in tweetaligheid. Ze onderzoekt hoe migratie een moedertaal aantast, wat het betekent om oud te worden in een omgeving waar iemands moedertaal niet wordt gesproken, en hoe het brein een vreemde taal leert. Ze combineert daarbij taalkunde, psychologie en neurowetenschappen. Zo gebruikt ze neuroimaging om de werking van de hersenen in kaart te brengen op het gebied van taalkunde. Ze wil interdisciplinariteit verder uitdragen.

Dr. ir. Jeroen de Ridder (filosofie, Vrije Universiteit Amsterdam)

Voor filosoof Jeroen de Ridder (1978) is de betekenis van wetenschappelijke kennis een belangrijk onderwerp. Hij heeft geschreven over de effecten van de ‘verabsolutering’ van de natuurwetenschappen. In zijn huidige onderzoek over kennis en democratie brengt De Ridder kentheorie en politieke filosofie bij elkaar. Hij publiceert ook over de kernverantwoordelijkheden van universiteiten. Verder richt hij zich op zinvolle ‘outputmeting’, loopbaanbeleid en de agendabepaling van wetenschap. Ook heeft De Ridder een column op www.geloofenwetenschap.nl.

Dr. ir. Hester den Ruijter (experimentele cardiologie, Universitair Medisch Centrum Utrecht)

Hester den Ruijter (1979) werkt op het gebied van de experimentele cardiologie. Ze richt zich op onderzoek dat de brug slaat tussen fundamenteel onderzoek en de toepasbaarheid van onderzoek voor patiënten. Ze onderzoekt de oorzaak van de verschillen tussen mannen en vrouwen op het gebied van hart- en vaatziekten. De vrouw in de cardiologie staat centraal in haar onderwijs en in de mediacampagnes.

Dr. ir. Frans Snik (sterrenkunde, Universiteit Leiden)

Sterrenkundige Frans Snik (1979) ontwikkelt en gebruikt nieuwe optische technieken (zoals coronagrafie, spectroscopie en polarimetrie) om licht van ver uit het heelal te kunnen waarnemen en analyseren. Zijn doel is om letterlijk te zien of er bewoonbare planeten bestaan rond andere sterren dan de zon en te ontdekken of daar leven ontstaan is. Hij zet zijn expertise daarnaast graag in voor citizen-scienceprojecten, zoals het iSPEX-programma, waarin burgers met hun telefoons fijnstof in de lucht hebben gemeten. Frans Snik gaat enthousiast de dialoog aan met mensen van buiten de wetenschap en werkt daarbij ook samen met kunstenaars. Met Daan Roosegaarde maakte hij in 2014 Rainbow Station, een lichtkunstwerk op het Centraal Station van Amsterdam.

Dr. Kristine Steenbergh (Engelse literatuur, environmental humanities, Vrije Universiteit Amsterdam)

Kristine Steenbergh (1976) heeft de cultuurgeschiedenis van emoties onderzocht, in het bijzonder woede, wraakzucht en compassie. Zij brengt die in verband met hedendaagse maatschappelijke thema’s als de vluchtelingencrisis en genderverhoudingen. Haar huidige onderzoek betreft de rol van emoties, literatuur en cultuur in het Antropoceen. Bij De Jonge Akademie wil ze zich inzetten voor verbetering van het wetenschapsbeleid, waarbij ze het belang van vertrouwen, samenwerking, diversiteit en kwaliteit benadrukt.

Dr. Erin Wilson (politicologie, religiewetenschappen, Rijksuniversiteit Groningen)

Erin Wilson (1979) combineert de vakgebieden religiestudies en internationale betrekkingen. Ze ontwikkelde het model ‘relationele dialogisme’, waarmee de rollen en betekenissen van religie voor internationale verhoudingen op een nieuwe manier geduid kunnen worden. Haar werk is sterk gericht op bruikbaarheid voor politici en beleidsmakers. Haar blog The Religion Factor geniet internationaal aanzien. Verder is ze mederedacteur van het boek The Refugee Crisis and Religion en directeur van onderzoekscentrum Centre for Religion, Conflict and the Public Domain.