Tien nieuwe toppers voor De Jonge Akademie

20 november 2012

Jaarlijks kiest De Jonge Akademie tien nieuwe, baanbrekende onderzoekers om haar gelederen te versterken. De Jonge Akademie is binnen de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen een zelfstandig platform van jonge topwetenschappers met activiteiten op het gebied van interdisciplinariteit, wetenschapsbeleid en wetenschap en samenleving.

Naast bewezen wetenschappelijke kwaliteit beschikken leden over een brede belangstelling voor wetenschapsbeoefening en wetenschapscommunicatie. Een lidmaatschap is voor vijf jaar. De officiële installatie van de nieuwe leden vindt plaats op 19 maart 2013 in het Trippenhuis van de KNAW. 

De tien nieuwe leden van De Jonge Akademie zijn:

Dr. Teun Bousema (Infectieziekten/Epidemiologie, Radboud Universitair Medisch Centrum, Nijmegen)
Malaria maakt vooral in Afrika nog steeds talloze slachtoffers, onder wie veel jonge kinderen.  De aanpak van deze infectieziekte heeft de volle aandacht van Teun Bousema (1977), een van de meest actieve jonge Nederlandse onderzoekers op het gebied van tropische geneeskunde, parasitologie en infectieziekten.  Met zijn artikelen leverde hij een aantoonbare bijdrage aan de internationale discussie over de beste methoden voor malariabestrijding en - eliminatie. Bousema is actief in verschillende internationale denktanks voor malariaonderzoek en speelde een belangrijke rol bij de totstandkoming van het Kilimanjaro Clinical Research Institute in Tanzania. Daarnaast ontwikkelde hij onder meer lesmateriaal voor middelbare scholen over infectiezieken en medisch-wetenschappelijk onderzoek.

Prof. dr. Andrea Evers  (Medische psychologie, Radboud Universitair Medisch Centrum, Nijmegen) 
Vernieuwende vraagstellingen op het grensvlak van verschillende wetenschapsgebieden, zoals de gedragswetenschappen en biomedische disciplines, zijn de specialiteit van klinisch psychologe Andrea Evers (1967). Haar aandachtsgebied is psychobiologie van somatische aandoeningen. Zo hoopt zij onder meer de wisselwerking te ontrafelen tussen lichamelijke en psychologische processen die optreden bij chronische  ontstekingsziekten als reuma of psoriasis. Doel is op basis van deze kennis vernieuwende behandelingen te kunnen ontwikkelen.  Evers spant zich in voor het uitdragen van wetenschappelijke kennis naar de maatschappij, voor  interdisciplinair wetenschapsbeleid met ruimte voor fundamenteel en toegepast onderzoek en patiëntenparticipatie bij wetenschappelijk onderzoek. 

Prof. dr. Hilde Geurts (Klinische neuropsychologie,  Universiteit van Amsterdam)
Het combineren van wetenschappelijk onderzoek en patiëntenzorg is een welkome  uitdaging voor neuropsychologe Hilde Geurts (1972).  Het stelt haar in staat resultaten van fundamenteel onderzoek te vertalen naar de geestelijke gezondheidszorg en vice  versa. Haar indertijd ‘merkwaardige’ keuze om te zoeken naar overeenkomsten en verschillen tussen ADHD en autisme is inmiddels de gangbare lijn in het onderzoek naar deze ontwikkelingsstoornissen. Ook haar onderzoek naar veroudering en autisme trekt  internationaal veel belangstelling. Samen met collega’s ontwikkelt ze interventies voor mensen met autisme.

Dr. Marijke Haverkorn (Sterrenkunde, Radboud Universiteit Nijmegen/Sterrewacht  Leiden) 
Een passie voor astronomie en de drive die uit te dragen naar de samenleving is tekenend voor sterrenkundige Marijke Haverkorn (1974). Haar doel is het volledig doorgronden van het magneetveld in de Melkweg, een speerpunt in het snelgroeiende vakgebied van Kosmisch magnetisme. Met behulp van een nieuwe  generatie radiotelescopen kan op dit terrein veel vooruitgang worden geboekt. Haverkorn is dan ook actief betrokken bij de ontwikkeling van LOFAR, de grootste radiotelescoop ter wereld. Ze is redactielid van de website www.natuurkunde.nl en organiseerde zogenaamde Girlsdays om meisjes meer te betrekken bij wetenschap en techniek.

Dr. Lotte Jensen (Nederlandse Taal en Cultuur, Radboud Universiteit Nijmegen)  
Wat zeggen literaire teksten als cultuurhistorische bron over nationale identiteitsvorming, culturele wortels van het Nederlanderschap en de plaats van Nederland in Europa? Een kernvraag in het onderzoek van Lotte Jensen (1972), dat zich beweegt op het gebied van West-Europese cultuurgeschiedenis, nationale identiteitsvorming en Nederlandse Letterkunde. Haar meest recente onderzoeksvraag is hoe periodes van oorlog en vrede in de Nederlandse geschiedenis van invloed zijn geweest op de vorming van onze nationale identiteit. Deze originele, vernieuwende benadering werd al bekroond met een prijs, een onderzoekssubsidie  en een gasthoogleraarschap in Gent, België. 

Prof. dr. Rianne Letschert (Internationaal recht en Victimologie, INTERVICT/Universiteit van Tilburg ) 
Het leeuwendeel van victimologisch onderzoek - een bij uitstek interdisciplinaire tak van wetenschap -  betreft slachtoffers van gewone misdrijven in westerse landen. Vernieuwend in het onderzoek van Rianne Letschert (1976) is haar aandacht voor degenen die grootschalige mensenrechtenschendingen hebben meegemaakt of zelfs (pogingen tot) genocide. In samenwerking met anderen is ze onlangs een onderzoek gestart naar herstelmaatregelen na massavictimisatie in de Arabische wereld.  Letschert, naast hoogleraar ook adjunct-directeur van het jonge onderzoeksinstituut INTERVICT, is actief in wetenschapscommunicatie voor jongeren en ontving dit jaar van haar universiteit de prijs voor ‘voorbeeldvrouw in de wetenschap’.

Prof. dr. Herman Paul (Historiografie en Geschiedfilosofie, Universiteit Leiden, Secularisatiestudies, Rijksuniversiteit Groningen)
Over welke eigenschappen moet een goede wetenschapper beschikken? Het onderzoek van historicus Herman Paul (1978) naar de persona van de wetenschapper maakt veel reacties los. Hij zoekt voor dit project nadrukkelijk de internationale samenwerking en legt de media uit waarom dit project (ook) relevant is voor wie wetenschapsfraude wil bestrijden. De vraag wat (historische) wetenschap is en hoe je wetenschap het best kunt beoefenen, staat centraal in zijn onderzoek. In twee interviewbundels met wetenschappers - een genre dat hij graag wil uitbouwen - heeft hij collega’s uit andere vakgebieden uitvoerig bevraagd over hun denken en doen. 

Prof. dr. Sjoerd Repping (Humane voortplantingsbiologie, AMC, Universiteit van Amsterdam)
Sjoerd Repping (1974) is een internationaal toponderzoeker op het gebied van de humane voortplantingsgeneeskunde. Hij blijkt in staat waarnemingen uit fundamenteel onderzoek – bijvoorbeeld op het gebied van genetische oorzaken van mannelijke onvruchtbaarheid - razendsnel  te vertalen naar concrete verbeteringen van behandelingsmogelijkheden. Sprekend voorbeeld daarvan is het creëren van een mogelijkheid tot het veiligstellen van de vruchtbaarheid van jongens die op jonge leeftijd chemotherapie moeten ondergaan. Repping is met verve aanwezig in het maatschappelijke debat over nieuwe vruchtbaarheidstechnieken en toepassingen van stamcellen, en ook in die zin een rolmodel voor een nieuwe generatie jonge onderzoekers.

Dr. Willem Schinkel (Sociologie, Erasmus Universiteit Rotterdam)
Willem Schinkel (1976) is niet alleen een vernieuwend socioloog met een groot internationaal netwerk, maar ook een topper in kennisoverdracht: zijn studenten benoemden hem tot docent van het jaar 2011. Schinkel is ervan overtuigd dat de wetenschap een bijdrage moet kunnen leveren aan publieke vraagstukken. Zijn huidige onderzoek, gefinancierd door de EU,  heeft betrekking op de drie grote thema's van deze eeuw: de migratiecrisis, economische crisis en ecologische crisis. Zo vraagt hij zich onder meer af hoe klimaatwetenschappers beter kunnen omgaan met controverses.  Schinkel was visiting scholar op het Institute for Public Knowledge van de New York University in de VS, wat goed aansloot bij zijn streven het publieke belang van wetenschap centraal te stellen.

Prof. dr. Irene Tieleman (Dierecologie,  Rijksuniversiteit Groningen)
Ecologe Irene Tieleman (1973) zette al tijdens haar studie een eigen onderzoekslijn op,  die wereldwijd als uniek wordt erkend. Haar onderzoek richt zich op hoe vogels leven en overleven in uiteenlopende leefomgevingen en hoe ze omgaan met veranderingen daarin. Gefascineerd door de wisselwerking tussen organisme en leefomgeving maakt ze veel gebruik van kennis buiten de ecologie om inzicht te krijgen in aanpassingsmechanismen. Door miniaturisatie van elektronica lukte het haar bijvoorbeeld beter zicht te krijgen op thermodynamica van vogels in zinderend hete woestijnen. Als Rosalind Franklin Fellow van haar universiteit is zij zich zeer bewust van het belang van vrouwelijke rolmodellen voor jong wetenschappelijk talent.