Universitaire octrooien goed benut

7 maart 2014

Octrooien die voortkomen uit Nederlands wetenschappelijk onderzoek worden goed benut. Twee derde komt terecht bij bedrijven. Universitaire technology transfer offices (TTO’s) spelen daarbij een belangrijke rol. Wel kan hun antenne voor octrooibare ideeën nog gevoeliger. Nationaal sterke onderzoeksgebieden kunnen gebaat zijn bij landelijke TTO’s.

Op verzoek van de staatssecretaris van OCW inventariseerde een commissie van KNAW, VSNU, NFU en NWO hoe het in Nederland gesteld is met de benutting van octrooien op resultaten van wetenschappelijk onderzoek van universiteiten en onderzoeksinstituten. De inventarisatie Benutting van octrooien op resultaten van wetenschappelijk onderzoek wordt op 7 maart 2014 overhandigd aan staatssecretaris Dekker.

Octrooien zijn één aspect van kennisbenutting

De wetenschapsorganisaties benadrukken in hun conclusies dat kennisbenutting (valorisatie) veel meer omvat dan het aanvragen en beheren van octrooien. Bovendien halen universiteiten wereldwijd uit octrooihandel slechts een paar procent van hun onderzoeksbudget. Dat moet ook niet het primaire doel zijn; essentieel is dat kennis doorstroomt. Bijvoorbeeld naar bedrijven, die door risicodragende investeringen nieuwe producten of diensten kunnen proberen te ontwikkelen.

In de periode 2000-2010 waren er jaarlijks gemiddeld dertig octrooiaanvragen per universiteit, met grote verschillen tussen de universiteiten. Dit is vergelijkbaar met dat van andere universiteiten in Europa en de Verenigde Staten. Bij ruim twee derde van de Nederlandse octrooien is sprake van directe benutting in de vorm van overdracht aan bedrijven, licenties of spin-offs.

Technology transfer offices

De technology transfer offices (TTO’s) van de kennisinstellingen spelen een belangrijke rol bij het signaleren en overdragen van octrooien aan geïnteresseerde marktpartijen. Meestal lukt het om de kosten van TTO’s te dekken uit de inkomsten van octrooihandel, meer winst zit er voor de meeste kennisinstellingen – ook in het buitenland - niet in. In een beperkt aantal gevallen zijn de inkomsten echter aanzienlijk. Eventueel financieel rendement is vooral voor het bedrijfsleven, dat de investeringen doet en het risico voor ontwikkeling en afzet draagt. De meerwaarde van octrooien zit hem voor de kennisinstellingen vooral in de mogelijkheden die dit biedt voor intensieve samenwerking met innovatieve bedrijven.

Verbetering van kennisbenutting

Door verdere kwaliteitsverbetering van TTO’s en verhoging van bewustwording bij onderzoekers kunnen meer octrooieerbare vindingen worden opgespoord en kan de kwaliteit van de octrooiaanvragen toenemen. Daar ligt een belangrijke uitdaging voor de kennisinstellingen. Het aantal octrooien moet echter geen doel op zich worden: overdracht van octrooien is niet altijd haalbaar en er zijn vele andere mogelijkheden voor valorisatie.

Een aantal landelijk sterke onderzoeksgebieden met dito internationale markten, bijvoorbeeld in de medische sector, kan baat hebben bij de realisatie van landelijke TTO’s, zoals die ook in het buitenland zijn opgezet. Die kunnen samen met de TTO’s van universiteiten en instituten een belangrijke stap voorwaarts zetten in benutting van hun octrooien.

De inventarisatie

De inventarisatie van benutting van octrooien berust vooral op een kwantitatieve analyse van de afgelopen jaren. Hiervoor is gebruik gemaakt van het onderzoek van het NL Octrooicentrum, het Rathenau Instituut en MERIT. Daarnaast is op basis van gesprekken met dertig deskundigen de interactie tussen universiteiten, onderzoeksinstituten en bedrijven kwalitatief geanalyseerd.

Een pdf van de inventarisatie Benutting van octrooien op resultaten van wetenschappelijk onderzoek is te vinden op de website van de KNAW.