KNAW kiest zeventien nieuwe leden

21 mei 2014

De KNAW heeft zeventien nieuwe leden gekozen. Leden van de KNAW, vooraanstaande wetenschappers uit alle disciplines, worden gekozen op grond van voordrachten van 'peers' binnen en buiten de Akademie. De KNAW telt circa vijfhonderd leden, verdeeld over de Afdeling Letterkunde en de Afdeling Natuurkunde. Een lidmaatschap is voor het leven. Op maandag 8 september 2014 worden de nieuwe Akademieleden geïnstalleerd in het Trippenhuis van de KNAW.

De nieuwe KNAW-leden zijn:

Wil van der Aalst (1966)
, Technische Universiteit Eindhoven, is internationaal de pionier in de ontwikkeling van nieuwe methoden en technieken voor het ontwerp en de analyse van bedrijfsprocessen. Hij maakt daarbij gebruik van process mining, een relatief nieuw gebied waarbij data mining en het modelleren van processen bij elkaar komen. Met de snelle toename van zeer grote databestanden (big data) is zijn wetenschappelijke benadering van essentieel belang voor de beheersing van processen bij bedrijven, instellingen en organisaties. Hij is een van de meest geciteerde informatici in de wereld.

Wiep van Bunge (1960), Erasmus Universiteit Rotterdam, is gespecialiseerd in de vroegmoderne wijsbegeerte en de intellectuele geschiedenis van de zeventiende eeuw. Zijn onderzoek leverde een nieuwe kijk op het werk van Spinoza en diens latere geestverwanten. Van Bunge besteedde daarbij veel aandacht aan de context van het werk - de politieke en religieuze ontwikkelingen binnen de Republiek - en de invloed van hun geschriften op de vroege Verlichting.

Cornelia van Duijn (1962), Erasmus MC, heeft baanbrekend werk verricht op het gebied van de genetische epidemiologie. Zij combineert genetisch onderzoek in families met grootschalig bevolkingsonderzoek. Doel is te achterhalen welke genen betrokken zijn bij complexe neurodegeneratieve aandoeningen zoals de ziekte van Alzheimer, de ziekte van Creutzfeldt-Jacob en glaucoom.

Carel Faber (1962), Universiteit Utrecht en KTH Stockholm, is werkzaam binnen de algebraïsche meetkunde. Hij houdt zich vooral bezig met de zogeheten moduliruimten van krommen, die in verschillende onderdelen van de wiskunde een rol spelen. Faber heeft diverse aspecten van deze moduliruimten bestudeerd en hij geeft wereldwijd richting aan het onderzoek op dit gebied.

Heino Falcke (1966), Radboud Universiteit Nijmegen, onderzoekt de aard van zwarte gaten en de gasstromen in hun omgeving, waarbij hij astrofysica en deeltjesfysica met elkaar verbindt. Zijn theorie dat hoge-energie kosmische straling via LOFAR te detecteren moest zijn wist hij door concrete waarnemingen bevestigd te krijgen. Een recent idee, dat hij eveneens experimenteel wil toetsen, is zijn theoretische voorspelling van een ‘schaduw’ van een zwart gat dat op radiofrequenties te detecteren moet zijn.

Rainer Goebel (1964), Universiteit Maastricht en Nederlands Herseninstituut, heeft baanbrekend werk verricht in de cognitieve neurowetenschappen en brain imaging. Hij bedacht het softwarepakket Brainvoyager om fMRI-data mee te analyseren. Daarmee kunnen de werking van de hersenen en de hersengebieden vrijwel realtime in beeld worden gebracht. Hiermee worden bijvoorbeeld patiënten die aan depressies of aan Parkinson lijden, in staat gesteld om zichzelf te behandelen met behulp van neurofeedback op basis van fMRI-gegevens uit hun eigen hersenen.

Jacob Goeree (1966), buitenlands lid, Universiteit van Zürich, verwierf grote bekendheid door zijn onderzoek naar de werking van veilingen. Zijn werk is origineel, innovatief en onderscheidend vanwege de unieke koppeling tussen economische theorie, experimenteel onderzoek en de beleidspraktijk. Op basis van deze expertise adviseert Goeree overheden en anderen over de optimale inrichting van veilingen en markten, bijvoorbeeld om de CO₂-uitstoot te verminderen.

Paul ’t Hart (1963), Universiteit Utrecht en Nederlandse School voor Openbaar Bestuur, opereert op het grensvlak van bestuurskunde, politicologie en psychologie. Hij is een nationaal en internationaal vermaard expert op het gebied van crisismanagement (hij is een van de oprichters van het COT) en politieke en ambtelijke elites. Op het moment doet hij onderzoek naar publiek leiderschap.

Albert Heck (1964), Universiteit Utrecht, doet onderzoek naar de werking en eigenschappen van eiwitten. Er zitten meer eiwitten in een cel dan genen, en ze bepalen voor een groot deel de processen in ons lichaam. Heck brengt in kaart hoe de eiwitten samenwerken, en hoe ze actief of inactief worden. Dat levert ook een beter zicht op de effectiviteit van geneesmiddelen.

Kees Hengeveld (1957), Universiteit van Amsterdam, verdiende zijn sporen in Nederland en daarbuiten met publicaties over functionele discourse grammatica en taaltypologie. Zijn werk is theoretisch vernieuwend en sterk empirisch onderbouwd. Als begeleider van een groot aantal jonge onderzoekers creëerde hij een eigen school in het moderne taalkundige onderzoek die velen inspireert.

Mikhail Katsnelson (1957), Radboud Universiteit Nijmegen, is wereldwijd een van de meest vooraanstaande onderzoekers op het gebied van theoretische fysica van vaste stoffen. Hij leverde belangrijke bijdragen aan het begrip van sterk gecorreleerde systemen en magnetisme. Daarnaast droeg hij onder meer bij aan een serie publicaties over de fundamentele eigenschappen van grafeen, waarmee hij een belangrijke theoretische bijdrage leverde aan het met de Nobelprijs bekroonde onderzoek op dit terrein.

Tanja van der Lippe (1963), Universiteit Utrecht, doet onderzoek naar de relatie tussen werk en gezin. Hoe gaan werknemers en gezinsleden enerzijds en werkgevers anderzijds om met de vaak conflicterende eisen die werk en gezin stellen? En wat zijn de gevolgen voor ongelijkheid en welzijn van mannen en vrouwen in zowel nationaal als internationaal perspectief? Van der Lippe heeft een geheel nieuwe draai aan dit onderzoek gegeven door inzichten uit de sociologie, economie, en psychologie te combineren.

Alexander van Oudenaarden (1970), Hubrecht Instituut, UMC Utrecht en Universiteit Utrecht, doet onderzoek naar de manier waarop cellen netwerken van genen en eiwitten gebruiken om beslissingen te maken. Zijn groep is voornamelijk geïnteresseerd in hoe enkele cellen de juiste beslissingen nemen, zelfs in de aanwezigheid van grote storende fluctuaties in en buiten de cel.

Stefan Schouten (1966), Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) en Universiteit Utrecht, levert originele bijdragen aan de reconstructie van het paleoklimaat door de ontwikkeling van organisch geochemische proxies van met name paleotemperatuur in de oceanen. Hiertoe ontwikkelt hij methoden om belangrijke klimaatparameters, zoals de vroegere zeewatertemperatuur, te reconstrueren. Hij is internationaal van grote betekenis voor het vakgebied van de organische geochemie.

Ton van der Steen (1964), Erasmus MC en Technische Universiteit Delft, werkt op het snijvlak van medische en technische wetenschappen. Hij probeert met nieuwe technieken aderverkalking (plaques) in bloedvaten op te sporen. Die zorgen voor vernauwing van de bloedvaten en als ze scheuren kan dat leiden tot een hart- of herseninfarct. Van der Steen werkt onder meer met ultrageluid voor een betere behandeling van hartziekten.

Ingrid Tieken-Boon van Ostade (1954), Universiteit Leiden, heeft binnen de anglistiek internationaal een grote reputatie opgebouwd op het gebied van de Engelse sociohistorische taalkunde. Zij bestudeert het vastleggen van de Engelse taal in grammaticaregels tijdens de laatste stadia van het Engelse standaardisatieproces, codificatie (publicatie van grammatica’s) en prescriptie (publicatie van taaladviesboeken). Daarbij put ze met name uit materiaal afkomstig uit informele privé-correspondentie.

Chris de Zeeuw (1960), Erasmus MC en Nederlands Herseninstituut, probeert de manier waarop het geheugen werkt te ontrafelen. Hij richt zich daarbij op het effect van elektrische activiteit van lerende zenuwcellen in het cerebellum (de kleine hersenen) op bewegingen. Ook bekijkt hij wat genetische veranderingen voor het leerproces betekenen en wat de klinische toepassingen kunnen zijn.