Wie was Jacobus Henricus van 't Hoff?

Jacobus Hendricus van 't Hoff werd geboren op 30 augustus 1852. Hij was de derde van de zeven kinderen die zijn ouders uiteindelijk zouden krijgen. Hij doorliep de HBS in zijn geboortestad Rotterdam.

Na zijn eindexamen, toen hij zeventien was, ging hij studeren aan de polytechnische school te Delft. Hij haalde daar twee jaar later, in 1871, het diploma van technoloog. Tijdens een vakantiebaan bij een suikerfabriek kwam hij echter tot de conclusie dat het werk als technoloog hem niet bijzonder kon boeien en hij besloot zijn heil in de wetenschap te zoeken.

Na een jaar in Leiden gestudeerd te hebben vertrok Van 't Hoff naar Bonn, waar hij in het beroemde chemische laboratorium van Kekulé werkte (de ontdekker van de benzeenstructuur, 1865). Ook werkte hij in Parijs bij Wurtz, een andere chemische grootheid uit die tijd. In 1874 promoveerde hij in Utrecht op het proefschrift getiteld Bijdrage tot de kennis van het cyaanazijnzuur en het malonzuur.

Voor zijn promotie had Van 't Hoff echter al een veel belangrijker document gepubliceerd dan zijn proefschrift, namelijk een brochure waarmee hij de basis legde voor de ontwikkeling van de stereochemie. De titel van de brochure luidde: Voorstel tot Uitbreiding der Tegenwoordige in de Scheikunde gebruikte Structuurformules in de Ruimte, benevens een daarmee samenhangende Opmerking omtrent het Verband tusschen Optisch Actief Vermogen en chemische Constitutie van Organische Verbindingen. Het pamflet omvatte slechts 13 pagina's, maar zou een enorme impact hebben op het chemisch denken. In 1875 verscheen de Franse vertaling La Chimie dans l'Espace, twee jaar later de Duitse vertaling (een Engelse vertaling kwam er pas in 1891).

Eenmaal gepromoveerd kostte het Van 't Hoff veel moeite om een baan te vinden. Uiteindelijk werd hij in 1876 leraar op de Veterinaire School in Utrecht, een positie die hij een jaar later alweer verliet voor een aanstelling als lector aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij in 1878 tot hoogleraar in de chemie, mineralogie en geologie werd benoemd. In dat jaar trouwde hij ook met Johanna Francina Mees, met wie hij twee zonen en twee dochters zou krijgen.

Door diverse publicaties groeide de bekendheid van Van 't Hoff en er werd vanuit het buitenland dan ook stevig aan hem getrokken. In een poging hem voor de Universiteit van Amsterdam te behouden ging de gemeenteraad akkoord met de bouw van een nieuw laboratorium, ingericht volgens de wensen van Van 't Hoff, dat in 1892 gereed kwam. Door de bekendheid van Van 't Hoff kwamen de studenten echter van heinde en verre toegestroomd en hij kreeg het zo druk met colleges, tentamens en examens, dat hij aan onderzoek doen niet meer toekwam. In 1896 zwichtte hij dan ook voor een aanbod van de Pruisische Academie van Wetenschappen, die hem de mogelijkheid bood al zijn tijd aan onderzoek te besteden.

Van 't Hoff kreeg in zijn loopbaan tal van prijzen en eretitels toegekend. De belangrijkste daarvan was echter toch wel de toekenning van de eerste Nobelprijs voor de Scheikunde in 1901.

Naast zijn liefde voor de chemie had Van 't Hoff ook een grote voorliefde voor de natuur. In Amsterdam nam hij graag deel aan botanische excursies en tijdens zijn periode in Bonn maakte hij lange wandelingen in de bergen. Daarnaast was Van 't Hoff een groot liefhebber van poëzie; de beroemde Engelse dichter Lord Byron was zijn idool.

Op 1 maart 1911 overleed hij in het plaatsje Steglitz, nabij Berlijn.