Blog Open Science – José van Dijck

Open science: groot verschil tussen disciplines

De KNAW is al heel lang een warm voorstander van vrije toegang tot resultaten van wetenschappelijk onderzoek. 

De Akademie was in 2003 een van de eerste ondertekenaars van de Berlin declaration on open access to knowledge in the sciences and humanities en heeft in 2005 samen met NWO het instituut DANS (Data Archiving and Networked Services) opgericht voor duurzame archivering van onderzoeksdata. Ook in de wetenschappelijke adviezen heeft de KNAW zich niet onbetuigd gelaten. In 2012 werd het advies Zorgvuldig en integer omgaan met wetenschappelijke onderzoeksgegevens uitgebracht. En in 2016 presenteerde de KNAW het Open boek over open access, tijdens het Nederlandse voorzitterschap van de Europese Unie.

Om die goede intenties ook in de praktijk te brengen, hanteert de KNAW sinds 2010 een beleid voor open access en digitale duurzaamheid voor haar onderzoeksinstituten. In 2016 werd dat nader geconcretiseerd met dataprincipes en databeleid en in 2017 met do's and dont's voor open access van publicaties. De KNAW zet daarbij ook stevig in op de ‘groene route’, waarbij onderzoekers een versie van hun artikel in een repository – een digitale bewaarplaats voor publicaties en data – plaatsen. Voor de groene route hanteert de KNAW een embargo van maximaal zes maanden. Dat is in lijn met de officiële wettelijke bepaling dat een kort wetenschappelijk werk na een ‘redelijke’ termijn door de auteur open access mag worden gepubliceerd (artikel 25fa Auteurswet). Maar sommige uitgevers hanteren momenteel behoorlijk langere embargo’s, soms oplopend tot anderhalf jaar. Er is hierover nog geen jurisprudentie, dus de precieze interpretatie van dit artikel zal nog moeten blijken.

Begin 2017 heeft de KNAW van harte ingestemd met het Nationaal Plan Open Science. Dit plan is ondertekend door tien kennisorganisaties en bevat ambities over open-accesspublicaties en optimaal hergebruik van onderzoeksdata. Bovendien gaat het plan in op de manier waarop onderzoekers daarbij kunnen worden geholpen en beloond, want de kennisorganisaties willen onderzoekers zoveel mogelijk steunen bij het uitvoeren van open science en daarvoor ook erkenning en waardering bieden. Je kunt, bijvoorbeeld, moeilijk aan de ene kant pleiten voor open access en aan de andere kant onderzoekers vragen om te publiceren in toptijdschriften die dat niet zijn. Dat moet gevolgen hebben voor de evaluatie van onderzoek, van onderzoeksvoorstellen en van onderzoekers.

De weg naar open science is lang en kent veel hobbels en een paar daarvan wil ik expliciet noemen. Ten eerste dat onderzoeksfinanciers er rekening mee moeten houden dat het duurzaam toegankelijk maken van onderzoeksdata kosten met zich meebrengt. We moeten duidelijk maken dat ‘open’ niet ‘gratis’ betekent. De tweede hobbel betreft de enorme toename van geprivatiseerde data. Terwijl publieke instellingen hun best doen om data zoveel mogelijk ‘open’ te krijgen en te houden, worden onderzoekers steeds meer afhankelijk van grote (tech)bedrijven die ‘hun’ data juist ontlenen aan het publieke domein en voor zichzelf houden. De beweging naar open data zou hoe dan ook een beweging moeten zijn waar zowel publieke als private partijen profijt van hebben.

Open science kan slagen:

  1. als het op extra financiering kan rekenen
  2. als private partijen – uitgevers en tech-bedrijven – ook hun verantwoordelijkheid nemen
  3. als het in internationaal verband wordt uitgevoerd en
  4. als rekening gehouden wordt met verschillen per discipline.

Het is goed dat Nederland vooroploopt en dat er een Nationaal Plan (en nu ook een uitvoerend platform) Open Science is, maar wetenschap overstijgt de landsgrenzen en dat betekent ook dat de afspraken erover vooral ook eerst in Europees verband gemaakt moeten gaan worden. En natuurlijk is er niet zoiets als one size fits all voor alle disciplines; de komende jaren zullen we moeten gaan vaststellen wat de (on)mogelijkheden van open science betekenen voor elk domein of iedere discipline.

José van Dijck